Wanneer is sprake van een gezamenlijke huishouding?

Bij de regeling van de toeslagpartner en de fiscaal partner voor de inkomstenbelasting kan het begrip gezamenlijke huishouding aan de orde komen. Maar wanneer spreek je nou van een gezamenlijke huishouding? Dat dit begrip veel onduidelijkheid oproept, blijkt uit het artikel in de NRC over de toeslagpartner in studentenhuizen.
De conclusie van dit artikel is dat:

‘Volgens de Belastingdienst voeren studenten een gezamenlijk huishouden wanneer ze samen de huisvestingskosten dragen en de kosten van levensonderhoud. Anders gezegd, als ze de huur en het eten op individuele basis betalen zijn ze waarschijnlijk niet elkaars toeslagpartner. Wordt het eten uit een gezamenlijke pot betaald, dan wel.’

Daarnaast staat hierover op de website van Postbus 51 over het begrip toeslagpartner:

‘Er is pas sprake van gezamenlijke huishouding als u voor elkaar zorgt, en dat ook zo bedoeld heeft. U moet dan denken aan een verdeling van alle taken in het huishouden. Met adere woorden: alle partners voeren bewust één gezamenlijk huishouden met elkaar. In de meeste studentenhuizen is dit niet het geval. Soms dragen studenten wel de kosten van huisvesting en huishouding samen, maar dat doen ze doorgaans niet met de bewuste bedoeling om voor elkaar te zorgen. In een studentenhuis zijn de bewoners normaal gesproken dus géén toeslagpartner van elkaar. Ondanks dat ze waarschijnlijk in het betreffende vakje ‘gezamenlijke huishouding’ belanden, bij het doorlopen van het partnerschema.’